Let niet op rommel!
Aan alle gezellige avonden komt echter een einde en zo ook aan deze, het was vier uur en we moesten naar buiten, ik was nog in innige verstrengeling met het sfeerverhogende meisje. Oooh, wat kon deze dame exceptioneel lekker zoenen! Ik was zwaar benieuwd naar haar andere orale kwaliteiten.
‘Ga je met me mee naar huis?’ vroeg ze.
Een klassiek voorbeeld van een retorische vraag! Ik had m’n jas al aan! Natuurlijk ging ik mee, ik was zo geil als een bos uien. Zij woonde daar om de hoek, dus dat was een heel prettige bijkomstigheid. Het vervolg hoefde wat ons betreft echt niet zo lang op zich te laten wachten.
We kwamen daar aan, een klinisch opgeruimd appartement midden in de Jordaan, uitzicht op de Wester, prachtig. ‘Let niet op de rommel.’ zei ze nog.
‘Welke rommel?!’ vroeg ik me nog af, want er lag werkelijk geen kussentje scheef, maar okee, je weet hoe die vrouwen soms zijn, dus ik liet die opmerking gaan. En al woonde ze op een vuilnisbelt, ik had gewoon zin in haar, dus whatever.
Daar gingen we weer. Verder met waar we gebleven waren. En nog verder. Er sneuvelden knoopjes. We waren helemaal los. Ik had echt totale zin om dit lekkere ding het licht uit de ogen te neuken! De kalk van het plafond te wippen met haar en dat gevoel was gelukkig wederzijds. Ik had een lul als de Euromast en dat nog wel midden in de Jordaan! Het monument op de Dam wierp mij jaloerse blikken toe. Enfin, u heeft het plaatje. Sorry als ik u daar geen plezier mee doe, ik beschreef gewoon even het gevoel van het moment.
En toen gebeurde het: ze ontdeed zich van dat lekkere truitje en haar strakke broek en ik zag het meteen: onder haar oksels: drie pakkies Van Nelle Half Zwaar, ik zweer het je! Tussen haar benen: vijf keer de snor van Ted de Braak! Een oerwoud waarbij het regenwoud in de Amazone een lullig plantsoentje is. Ik dacht dat ik gek werd. Dus dat bedoelde ze waarschijnlijk met: ‘let niet op de rommel!’
Mijn hemel…. Ik besloot maar om de verdere activiteiten te laten voor wat ze waren en trok in een gigatempo mijn kleding weer aan. Mijn jongeheer die net nog zo fier overeind stond was bij het aanschouwen van deze ravage gekrompen tot een klein uitgevallen Hollands garnaaltje. Ik wist niet hoe gauw ik weg moest komen. Ik bedacht me dat als ik een vinger, een tong of godbetert mijn piemel in dit moeras zou stoppen dat ik die dan echt niet meer terug zou krijgen. Ik moest hier weg! Ik heb niks tegen een beetje beharing als dat mooi is bijgehouden, maar dit was echt te ranzig voor woorden.
Ik heb me nog nooit zo snel aangekleed, zei dat ik dit niet kon en liep weg. Eenmaal buiten gekomen stond die behaarde Tante Toos vanuit haar raam nog van alles naar me toe te schreeuwen en daar zat geen woord Spaans tussen, waarop ik terugriep dat ze beter een hovenier kon laten komen om de boel eens een beetje aan te laten harken en het onkruid te wieden.
Enige maanden later zag ik haar weer eens ergens staan. Stond ze te zoenen met een gozer. Hij had vast hetzelfde in gedachten als ik een paar maanden eerder. Ik kon het niet nalaten om in het voorbijgaan even nonchalant te mompelen: ‘Let niet op de rommel!’
