Stotter-Guus
En zo stond-ie ineens weer bij me op de stoep: Stotter-Guus. Ik neemniet aan dat ik die bijnaam hoef uit te leggen. Bij zich had hij eenstoeltje uit het oude Ajax-stadion de Meer, uit vak M nog wel, het vakvan waaruit ik in vroeger dagen de verrichtingen van mijn roodwittehelden gadesloeg. Guus had dat stoeltje na afloop van de laatstewedstrijd in de Meer (28-4-1996, Ajax-Willem II, 5-1) eigenhandigzorgvuldig gedemonteerd met een schroevendraaier. Al jaren beloofde hijdat hij het stoeltje aan mij zou overdragen en het duurde even maarGuus hield woord. Het stoeltje staat nu in mijn woonkamer en ik moet ernog even een mooie eervolle bestemming voor vinden.
Guus demonteerde wel eens vaker een stoeltje, alleen ging dat watonorthodoxer en zonder schroevendraaier. Een hooligan van de ouwestempel die in 1976 aan de wieg stond van de F-Side en vroeger niet, ennu nog niet, vies was van een lekker potje rellen.
Toen een collega mij onlangs benaderde met de vraag of ik een ouwehooligan kende die geweld niet schuwde en zijn levensverhaal aan hemwilde vertellen als onderwerp voor een kleine scriptie hoefde ik danook niet lang na te denken. ‘Bel Guus,’ Zei ik hem ‘noem mijn naam maaren het zit goed. En belangrijk: zeg alsjeblieft niet dat je uitRotterdam komt, want daar heeft Guus het niet zo op. Voor de rest hebje de perfecte gesprekspartner voor je stuk!’ En dat bleek. Guus heeftmijn collega drie uur vol enthousiasme verteld over zijn gewelddadigetienerjaren, de oprichting van de F-Side, stadionrellen, knokpartijenen sterke verhalen. Mijn collega moest hem op een gegeven momentafbreken want hij moest echt naar huis. Maar Guus had nog wel tweedagen kunnen doorratelen over alles wat ie allemaal heeft uitgevretenin de bijna vijftig jaar die hij op deze aardkloot doorbrengt. Nou isratelen een groot woord, want door zijn stotterhandicap is Guus nog weleens wat lang van stof. Maar goed, mijn collega had meer dan genoegmateriaal voor zijn stuk en verliet tevreden huize Guus in Noord.
Ik heb de ruwe versie van het stuk inmiddels gelezen en ik herkendeGuus er ook helemaal in. Zoals ie met brede armgebaren engeluidseffecten (‘sloeg ik die k-k-k-k-k-kutsmeris helemaal dep-p-p-p-pestpleuris! BOEM! BOEM!) voordoet hoe een knokpartij ging, ikhoorde het hem zeggen en ik zag het hem doen.
Ach ja, Guussie… Ik ken die gozer al bijna vijftien jaar. Hij is heellang portier geweest bij mijn vroegere tweede huiskamer, de Korsakoff.Op de een of andere manier mocht Guus mij altijd wel. Hij wist dat ikook een fanatieke Ajax-supporter was, al had ik nooit zoveel op metalle rellen waar hij altijd inzat. Voor hem is rellen schoppen eenmanier van leven, ik heb dat niet. Gelukkig niet, wat mij betreft.Ruzie krijgen met mij is dan ook een hele prestatie, ik word zeldenecht boos. Ik vind veel dingen ook te onbelangrijk om me boos over temaken. Als ik al mot heb met iemand red ik me daar wel verbaal uit enals het op knokken dreigt te komen loop ik weg. Ik heb daar gewoon geenzin in.
Maar toen ik dan een keer een wat flinkere ruzie had in deKorsakoff bedacht Guus zich geen moment. Hij sleurde die vent bij mevandaan, nam hem mee naar buiten, pompte hem een paar keer flink opzijn muil en schopte hem toen gewoon weg. Ik zei Guus dat dat nou ookweer niet nodig was. Het was een beetje duwen, trekken en elkaaruitschelden, maar dat had ik ook zelf wel kunnen oplossen. Ramde hijdie gozer gewoon helemaal in mekaar… Maar goed, Guus zei dat-ie diegozer al langer een ‘k-k-k-k-k-k-kankerlijer’ vond en dat-ie nu eenexcuus had om hem in elkaar te rossen. ‘Want wie aan jou komt, komt aanmij, ouwe!’ Gevolgd door een omhelzing. Die jongen heb ik trouwensnooit meer ergens gezien.
Guus had nooit zoveel aanleiding nodig om een potje ‘gezellig knokken’zoals hij dat noemt. Toen het Nederlands elftal een keer werduitgeschakeld op het WK door Brazilie liep ik na de wedstrijd, op wegnaar de stad, langs Guus zijn huis, want in die tijd woonde hij nog bijmij in de buurt. Hij woonde op de Admiralengracht. Guus stond buitenmet wat vrienden en ontstak in blinde woede toen een Braziliaaneuforisch juichend en zingend over de gracht liep. ‘Hey!V-v-v-v-v-v-vuile k-k-k-k-k-k-anker-Braziliaan riep ie en voor we hetwisten stoof een woeste Guus op de Braziliaan af, pakte hem op enflikkerde de luid gillende Braziliaan in de gracht. Ook totverbijstering van ons. ‘Dat kan je niet maken, Guus!’ ‘Jawel hoor, datzie je toch! Hahahaha! Wat een k-k-k-k-klootzak!’ We hielpen deBraziliaan op de kant en hielden Guus bij hem vandaan, maar dieBraziliaan rende meteen huilend weg. Hij droop af. Letterlijk!
Jaren later had ik eens een meisje versierd in de Korsakoff en wasklaar voor een energieke nacht. Het meisje kwam uit Rotterdam, maar datwist Guus niet. Ik zei hem gedag en liep met mijn verovering richtinghuis. Begon Guus ineens te zingen: ‘Neuk geen wijf uit Rotterdam, wantdaar krijg je kanker van! Lalalalalala!’ Dat was ik nou natuurlijk netwel van plan en ik zei tegen het meisje ook dat ik het maar een raarliedje vond en dat Guus een beetje gek was. Ze nam er genoegen mee.Phew! Had die gek bijna nog mijn leuke nacht verpest, want ze wasnatuurlijk niet echt amused! Maar gelukkig kwam alles goed.
Met sommige vrienden heb je geen vijanden nodig!


